Portret: prof. dr. Steven Thiessen benoemd als professor aan UHasselt
Na twee jaar als gastprofessor werd prof. dr. Steven Thiessen benoemd tot professor binnen de vak- en onderzoeksgroep Neurowetenschappen aan UHasselt. Een erkenning die hij niet alleen persoonlijk, maar vooral als een bekroning voor de Kritieke Diensten beschouwt. Hij spreekt over de nauwe verwevenheid van kliniek en onderzoek, de samenwerking tussen ZOL en UHasselt, en zijn fascinatie voor de kwetsbaarheid van de kritiek zieke patiënt.
U bent aangesteld als professor in de vakgroep en onderzoeksgroep Neurowetenschappen. Dit na twee jaar als gastprofessor. Wat betekent dit voor u?
Het is een persoonlijke beloning en erkenning voor het vele werk maar vooral ook een erkenning voor onze Kritieke Diensten. Ik ben namelijk maar een radartje in het wetenschappelijk project dat onze diensten hebben uitgebouwd over de jaren heen. Ik sta nu echt wel op hun schouders.
Mijn benoeming geeft ons als dienst de mogelijkheid om onze verankering met UHasselt verder uit te bouwen en de samenwerking tussen ZOL en UHasselt te verstevigen, iets wat in het veranderende landschap bijzonder interessant en noodzakelijk is. Ik heb er in elk geval heel veel goesting in.
Daarom ben ik ook dankbaar en trots dat ik sinds enkele jaren de collega’s van de Kritieke Diensten in ZOL mag begeleiden als hoofd van onze wetenschappelijke cel, een taak die ik overgenomen heb van collega prof. dr. Mesotten sinds hij diensthoofd is geworden van het operatiekwartier.
Hoe combineert u de klinische praktijk met het academische?
Voor mij is die combinatie zéér natuurlijk en lopen beide over in elkaar en versterken ze elkaar. Ik ben van mening dat je voor klinisch onderzoek altijd moet beginnen met een klinische vraag of een probleem waar onze patiënten mee kampen. Hier ga je dan mee aan de slag als onderzoeker. De inzichten die je hier uithaalt, kan je dan ook direct toepassen in de kliniek. Deze wisselwerking tussen onderzoek en de kliniek is cruciaal voor arts-onderzoekers en dat is één van de redenen waarom ik voor ZOL heb gekozen, omdat dit hier mogelijk is.
Wetenschappelijk onderzoek is een deel van jullie werk?
Wetenschap is één van de kernwaarden van onze dienst en is voor ons zéér belangrijk. We proberen in de Kritieke Diensten in ZOL vooruitstrevend te zijn in klinische zorg, maar zeker ook in wetenschappelijk onderzoek. De lat ligt hier dus ook hoog wat ervoor zorgt dat we collega’s en onderzoekers met specifieke profielen kunnen aantrekken en zo proberen we steeds een sterker verhaal te schrijven.
Hoe verloopt de samenwerking tussen ZOL en UHasselt op vlak van onderzoek?
We hebben een lange traditie met onderzoek aan de UHasselt en deze samenwerking wordt steeds sterker. Er lopen verschillende doctoraten en projecten en we zijn volop bezig met het uitbouwen van een gemeenschappelijke onderzoekslijn rond het probleem van de kwetsbaarheid van de hersenen bij kritiek zieke patiënten. De zeer aangename samenwerking met prof. dr. Ilse Dewachter, hoofd van de Biomed onderzoeksgroep Neurowetenschappen aan de UHasselt, is hierbij van groot belang en een immense meerwaarde. Dit gemeenschappelijk onderzoek leidt tot een verdere integratie tussen onze dienst en de UHasselt.
Hoe bent u als anesthesist en intensivist geëvolueerd richting wetenschappelijk onderzoek?
Ik deed al onderzoek sinds mijn 19de in binnen- en buitenland onder de vlag van de ‘Leuvense Vereniging Student Onderzoekers’, waar ik ook in het bestuur zetelde. Ik raakte gefascineerd door de pathologie van de ‘stress response’ en onderzoek bij de kritiek zieke patiënt. Dat alle fysiologische mechanismen zich bij een ernstige ziekte ineens anders gaan gedragen en dat wij dit als arts dit kunnen beïnvloeden, vond ik toen al bijzonder intrigerend. Deze fascinatie heeft me dan ook bij anesthesie en intensieve zorgen gebracht.
Binnen anesthesie en intensieve zorgen komen patiënten bij ons voor zorg om hen door een zware ziekte of operatie te leiden. Beide gaan deze ‘stress response’ activeren die daarna centraal staat in het ontwikkelen van allerlei problemen die patiënten tot lang na de ziekte teisteren: vermoeidheid, zwakte, organen die minder goed werken, neurologische achteruitgang zoals vergeetachtigheid of minder goed kunnen focussen. Deze problemen hebben een immense sociale en financiële impact op onze samenleving.
De rode draad door mijn onderzoek is dan ook hoe we deze ‘stress response’ kunnen beïnvloeden of sturen om zo deze outcome voor onze patiënten te verbeteren.
Wat is het meest veelbelovende resultaat dat uw onderzoek tot nu toe heeft opgeleverd?
Onderzoek is al lang geen eenmanszaak meer. Ik ben blij dat ik heb kunnen meewerken aan de Precise I studie, onder leiding van collega prof. dr. Mesotten, die ons geleerd heeft dat een hoge toediening van aminozuren aan de kritiek zieke patiënt meer slecht doet dan goed. Deze inzichten hebben nu aanleiding gegeven tot een opvolgstudie waar we, samen met drs. Fivez en Mesotten, verder op zoek gaan naar de juiste voeding voor kritieke zieke patiënten. Het is dan ook met enige trots dat ik kan melden dat we hiervoor net een KCE-beurs hebben gekregen.
Mijn meest veelbelovende resultaten op vlak van anesthesie hebben betrekking op het ontstaan van spierzwakte na electieve chirurgie en op de rol van toegediende corticosteroïden tijdens anesthesie op de kwaliteit van leven. We zijn, samen met mijn PhD-student dr. Wencke Renette, nog volop bezig met de analyses en de publicatie, maar deze zijn mijns inziens uitermate interessant. Hierover later zeker meer.
Met UHasselt en Amsterdam MC doen we onderzoek naar het effect van anesthesie en chirurgie op de hersenfunctie. Ook hier hebben we al interessante bevindingen gedaan.
Dit onderzoek was er trouwens nooit geweest zonder ons fantastische team studie-nurses, onder leiding van Ingrid Meex. Zij begeleiden ook mee de thesisstudenten in hun eerste onderzoeksstapjes en zorgen voor de patiënten die aan onderzoek deelnemen.
Als u onbeperkte middelen had, welk onderzoek zou u morgen starten?
Ik zou een uitgebreid translationeel labo oprichten met als doel het volledig in kaart brengen van de stress response, in navolging van grote fysiologen als Claude Bernard en Hans Seyle. En de inzichten gebruiken om innovatieve methodes te ontwikkelen om onze patiënten door deze fase van levensbedreigende stress te gidsen.
Waar denkt u dat uw discipline binnen de 10 jaar zal staan?
Ik denk dat onze discipline meer op de voorgrond zal komen. Wij zijn nu eerder de dokters die in de schaduw werken en vaak niet gekend bij de mensen. Dit omdat de patiënten ook vaak niet actief voor ons kunnen kiezen. Als je levensbedreigend ziek bent, ben je niet in staat om te kiezen wie voor je zorgt. Hetzelfde geldt voor anesthesie. Wij maken chirurgie mogelijk maar hebben daarbij weinig visibiliteit, hoewel we knowhow en inzichten hebben die voor patiënten heel waardevol kunnen zijn.
Met het instellen van de preoperatieve raadpleging is er op dit vlak al veel toegevoegde waarde gecreëerd. Maar in de toekomst zullen we ook postoperatief en post-intensieve zorgen een grotere rol spelen, daar zijn we nu in de schaduw volop mee aan de slag.
Wat vindt u zelf het meest boeiende aan uw werk?
De immense invloed die we hebben op het leven van anderen en de uitdagingen die ermee gepaard gaan. Zelfs als we een rustige dag hebben in het Operatiekwartier, doen wij mensen in slaap, nemen al hun vitale functies over en staan in voor hun veiligheid. Op Intensieve Zorgen zijn we dagelijks bezig met aandoeningen die levensbedreigend zijn. En op de cruciale momenten, letterlijk op leven en dood, kunnen wij het verschil maken. Dat maakt dat wij een van de mooiste jobs ter wereld hebben.
Als mensen heel ernstig ziek worden, dan zijn wij er voor hen. Je kan ons vergelijken met brandweermannen. Wanneer het brandt en iedereen vlucht weg, dan komen wij aangelopen. Net dat maakt onze job leuk.
Hoe gaat u ermee om als mensen sterven? Neemt u dit mee naar huis?
Goh, moeilijke vraag, door de jaren heen verander je daar wel in. Ik ben nog relatief jong en heb zelf een jong gezin en dat maakt de dood soms heel onwezenlijk, zeker bij dramatische gebeurtenissen.
Daarom vind ik een goede dosis humor met af een toe een frats en het bewaken van een goede werksfeer heel belangrijk. Intensieve Zorgen kan namelijk heel zwaar zijn, zowel fysiek als psychisch, en dat hakt er bij een mens in. Als je de problemen allemaal mee naar huis neemt, dan hou je deze job niet vol. Niet voor niets is intensieve zorgen één van de disciplines met het hoogste aantal burn-out en depressies.
Met wat ouder te worden en meer ervaring te hebben, leer je dat er dingen zijn die erger zijn dan de dood. En dat verandert het perspectief. Je probeert bij alles wat je doet het welzijn van de patiënt voorop te plaatsen en te handelen volgens je eigen ethisch kompas. En dan wordt het makkelijker om deze zaken te dragen.
De dood kan ook iets moois hebben, hoe raar dat ook mag klinken. Iemand niet meer kunnen genezen, maar wel nog een mooi en eervol afscheid kunnen bieden, dat geeft een warm gevoel. En dat is wat wij op Intensieve Zorgen altijd proberen mogelijk te maken.
Wat brengt u tot rust na een zware werkdag?
Mensen die mij kennen weten dat ik geen rustig persoon ben. Ik ben graag bezig met werk en onderzoek. Daarnaast ben ik heel actief in de artsensyndicaten en de beroepsvereniging. Ik haal daar veel plezier en energie uit.
Natuurlijk zijn er soms van die maanden dat alles samenkomt. En dan kan de emmer wel eens overlopen. Belangrijk is dan om de balans te houden en goed te plannen. En om tijd te maken voor mijn vrienden, en zeker ook voor de familie. Thuiskomen en samen eten met mijn gezin, daar geniet ik van. Verder doen soms wat sport en een goed glas wijn ook wel wonderen.